812 Stina, nagelaten weduwe van zal. Claes Veheren, heeft verklaard nadem zij hierbevorens in den jare 1574 de 24e dag september voor Johan van Ringenberch en Johan van den Bergh, schepenen, zekere verklaring gedaan heeft van zekere penningen, dewelke haar man zal. en zij hun zoon Thonis Veheren zo vóór als na op zijn vaders en moeders versterf uitgericht en sunst van zijnentwege betaald en uitgegeven hebben, inhoud van de verklaring, daarvan zijnde, dat zij daarom na datum van dezelve verklaring zich nader bedacht hebbende bevonden heeft dat zij dezelve hare zoon daarbeneffens nog verschoten heeft de hiernabeschreven percelen, nl.: - 35 loet salts, ieder loet voor 2 daler, makende 70 daler; - nog op een tijd hem verschoten binnen Arnhem de somme van 50 daler, dewelke hij etlijke overlange boeren [boven] "gesant" heeft en was onder datzelve geld een "portegulenser"; - nog van zijnentwege aan Huybert Verwey te Hussen gelicht zijn obligatie van 10 daler, blijkende bij de obligatie daarvan zijnde; - zeggende deze verklaring nu te doen overmits zij zulks van Godt en in haar conscientie niet zoude weten te verdedingen zoverre zij zulks verzweeg en heeft de weduwe voorgemeld deze verklaring gedaan haar hand op haar borst leggende en gestaafd onder lijfelijk Gode [heer] zal. zwerende;
Datering:
10-01-1578
Folio:
271r
Toegangsnummer:
2003 ORA Arnhem
Inventarisnummer:
403https://proxy.archieven.nl/0/9D580543554F49D7955F8DF28ECA90EE
https://proxy.archieven.nl/1872/3ACE48D97B174ED2B7E15A38BC69146A
Duytsche kooplieden in Rinsche en Elsater wijnen
https://hdl.handle.net/21.12122/16778090
62
100. WEHL.
Ein guet in den kerspel van Weel, geheiten
(niet ingevuld).
Fredrick van Bair heeft een goet in den kerspel van Weel, is leen tot Bair ende is twyweddich *) geworden, als nae doode ziins vaeders ende by aencomen miins heren, 8 Juni 1460.
Idem, siin guet in den kerspel van Well geheiten.... 2), 21 Juli 1484.
101. WESTEBVOOBT en DUIVEN".
Een leen van een Meerslaeh tusschen het erf van den Hertog van Cleve en de Abdis van Eb>n ende derdenhalven morgen lands in den kerspel van Westervoort tot een pondigh leen ten Zutphenschen rechten. Spaen van Ben wye van den slage in den Meer ende van % mergen
lants tot Westervoort, 1386. Johan van Byngerden beleend, zooals Henric van Oy als momber van Jutte van Bingerden, zgn echte wyve, dat te holden plach, 19 Januari 1462. Johan van Bingerden opnieuw beleend, 26 April 1484 3). Idem, anders genannt Byngart van O y, bezwaart het leen met 4 alde gouden schilden jaarlijks aan H e n r i c k F r e d e r i c x, die met deze rente beleend wordt, 19 April 1492 4). Goessen Henricx S m y t h, burger van Arnhem, beleend met derdenhalven morgen lands, gelegen in het kerspel van Westervoort, na transport van Henrick Arntzoen anders geheeten van O y en A1 g t, Byngeitz dochter van Oy, zijn huisvrouw, 28 September 1499. Idem vernieuwt den eed, anno 1544.
Goessen Smyt draagt op een huyssinge, end hoffstadt, haldende omtrent derdenhalven morgen landtz, gelegen an der Ysselle, mit die eene zyde aen Goessen van Wamels hoffstadt, gen. die thien Roeden, mitten eynen eynde aen bouwinge zeligen Jacop van Wittenhorstz erffg. end mitter andere zyde aen Claes Veeren eigen erff, in den kerspel end gericht van Westerfoirt in den lande van Berge, aan
Claes Veeren voorn., die daarmede beleend is, 20 Juli 1552. Idem eed vernieuwd, 15 April 1563. Willem Veren draagt dit leen op aan
Cornelis ter Heerenhaeve die daarmede beleend is, 4 Augustus 1579. Claes Dueker, borger tho Colen, vermits doode van zgn vader Johan
Duycker, 10 Mei 1592. Matthias F e h r e n, der rechten doctor en advocaat voor het Hof van
Gelderland, vermits doode van zgn vader Lubbert Fehren, 8 Mei 1666. Dr. Jacobus Woltingh beleend als erfgenaam zijns ooms Matthias
Fehren, 24 December 1674.
i) Dit beteekent, dat het dubbele heergewaad moest betaald worden. *) Niet ingevuld.
s) Hier staat: in die Meerslaeh in den kerspel van Dueven. <) Aan den kant staat: „geloist".
63
Idem maakt dit leen deelbaar onder zijne kinderen „sonder enigh vordel
off prerogativen", eodem die. De crediteuren van den boedel van Berent Otters en diens vrouw
beleend met dit leen, gelgk het vroeger van Dr. Matthias Fheeren
en Dr. Jacobus Woltinck in gen. boedel was gekomen, waarna zg
het hebben opgedragen aan Ggsbert Tulleken pro se et nom. ux. en Joost Pronck pro se et
nom. ux., die daar weder mede beleend zgn, 10 Februari 1690. "Willem Tulleken beleend als erfgenaam zgns vaders Ggsbert, 1)
1709.^
Idem verbindt dit leen voor eene schuld van 3500 gld. aan Abraham
Danckfoort, 5 September 1721. Ggsbert Tulleken, minderjarig, erfgenaam zgns vaders Willem, 13 Mei
1724. J. C. Tulleken doet hulde. Idem draagt dit leen op aan
Johan Christiaen Swaen, die daar weder mede beleend is, 11 Januari 1726. Idem draagt dit leen op aan
Jan Lam er s, die daar wedér mede beleend is, 1 October 1755. Idem en Eeiniera van Druyvendaal, echtelieden, dragen dit leen
— zgnde groot 27$ morgen, daar het huys en den berg op staat,
met den hof en boomgaard, zgnde het erve -Fheeren hofstede
allodiaal — op aan W&nder ten Bosch, die daar weder mede beleend is, 12 Juni 1769. Idem verbindt dit leen voor eene schuld van 2000 gld. aan Jan Gaymans
en J. C. Otters, echtelieden, 14 Juni 1769.https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB02:000119009:00082